Posts tonen met het label tuin. Alle posts tonen
Posts tonen met het label tuin. Alle posts tonen

woensdag 7 juli 2010

Kikkers 2


De oever van mijn vijver was met Pasen nog kaal. Er groeide nog helemaal niets. Dat was het laffe van die reiger. Hij kon doodleuk op het huis aan de overkant van de straat gaan zitten wachten en in die gladde spiegel staren, totdat hij de minste of geringste rimpel zag. Mijn vijver was een bord soep, waar die reiger goed zicht op had en waar hij de kikkerballetjes zo uit kon vissen! Daar moest ik iets aan doen.

Daniël raadde mij aan draden te spannen en dat deed ik. Ik spande een draad op de schutting, waar die rover een tussenlanding moest maken. Hij is namelijk veel te groot om zich zomaar in één keer vanaf het dak in mijn tuin te storten. Ook over de vijver zelf weefde ik een web van groene, afschrikwekkende draden. 

De eerste dagen stond ik voortdurend bij het raam. Hij kwam. Hij probeerde van alles, maar telkens opnieuw joeg ik hem weg, met de bezem. ’s Avonds als het begon te schemeren zag ik zijn silhouet op het dak van het hoekhuis. Ik werd steeds fanatieker. Ik durfde nauwelijks meer te gaan slapen. Op het laatst zou ik bereid geweest zijn ’s nachts in mijn tuin te gaan slapen, pal naast de vijver. Als het nodig geweest was. Maar dat was het niet. De reiger bleef weg. Ik had gewonnen.

Wel hoorde ik nog dagenlang de mannetjeskikker verlangend borren vanuit de vijver. Hij mist zijn vrouwtje, dacht ik dan. En die kleintjes missen hun moeder, hun tante, hun oma. Stomme rotreiger. 

Eén ding is mooi. Voordat ze werd ontvoerd, heeft het vrouwtje haar buikje geleegd. Ik vond de klont dril twee dagen later in de vijverbedding, vlak onder het riet. En wat voor een dril. Je zou het nu eens moeten zien! Het krioelt, flippert en flappert aan alle kanten. Als ik thuiskom en de houten tuindeur openduw, is het wateroppervlak volop in beweging. Overal zie ik vrolijke zwarte vlaggetjes. Het is niet voor niets geweest.

zaterdag 3 juli 2010

Kikkers 1



 En dan is er de vijver met de kikkers en niet te vergeten: de kikkervisjes, want die zijn ruim in de meerderheid. Sinds mijn kikkers zeven jaar geleden op een bakfiets verhuisden van de oude naar de nieuwe tuin, doen ze fanatiek hun best om te overleven en meer dan dat. 
Die bakfiets vonden ze trouwens geweldig. Ze zaten in een soort aquarium in de bak van de bakfiets en keken hun ogen uit. Opgewonden verdrongen ze zich voor de ramen, dat kan ik je wel vertellen. Ze hadden natuurlijk nog nooit een rijtoer door de stad gemaakt en dan meteen een stad als Amsterdam! Noem mij eens een andere kikker die zoiets kan vertellen.

Het leven in de nieuwe tuin vonden ze eerst wel een beetje verwarrend. Soms sprongen ze per ongeluk bij de buren naar binnen en toen Hannah op een dag op de trampoline sprong, deden zij enthousiast mee op het tuinpad. Ze dachten vast dat Hannah, met haar groene vest, de opperkikker was. Slim was dat niet, als je bedenkt dat er een legertje poezen in onze binnentuinen rondhangt. Maar dat wisten ze toen nog niet.

Hun leventje leek tamelijk onbezorgd tot Pasen van dit jaar. Op tweede paasdag zat ik met één oog in de krant te lezen en zag met het andere iets groots landen in mijn tuin. Een reiger! Hoe brutaal kun je zijn! Voordat ik begreep wat er gebeurde had hij zijn snavel al in het water gestoken en klapwiekend vloog hij weer op. Met een kikker in zijn bek!

Ik schrok me een ongeluk. Ik kon zien dat het een flinke kikker was, een oudje dus, waarschijnlijk één die de rijtoer nog had meegemaakt en die daar op zwoele zomeravonden op de rand van de vijver dromerig over vertelde. Het was een bijzondere kikker, wil ik maar zeggen. En meer nog: het was míjn kikker. Waar haalde die grijze ellendeling het lef vandaan om op roofjacht te gaan in mijn tuin. Tot op dat moment had ik reigers nog wel leuk gevonden, vooral door die zwarte veter aan hun kop, waardoor ze op matrozen lijken. Maar sinds tweede paasdag is dat voorgoed voorbij. Het is uit tussen mij en de reigers.

foto: Johan de Koning


woensdag 30 juni 2010

Karel





Zeven jaar geleden kwamen we in dit huis wonen en vanaf de eerste dag zat Karel in de tuin. Daar viel toen nog weinig te beleven - het was een grote zandbak - maar Karel scharrelde er evengoed wat rond. Hij viel mij meteen op door de witte sjaal die hij om had. Niet van stof, maar van veren.

Karel en ik sloten meteen vriendschap en nu komt hij al zeven jaar bij mij wormen en zaadjes halen. Want ik heb natuurlijk wel alle bloemen en struiken aangeschaft die op zijn verlanglijstje stonden. Als ik met mijn fiets het tuinpad op kom, blijft Karel rustig zitten waar hij zit. Soms op maar één meter afstand. Hij kijkt belangstellend wat ik doe, maar bang is hij niet. Hij weet dat wij vrienden zijn.

Ik help hem altijd de winter door door voor hem op een speciaal plekje (sssst, onder de grote struik naast de vijver) een halve appel neer te leggen. Alleen hij en ik weten het. Soms begint hij er uitbundig aan te rukken en te trekken en sleept die appel de halve tuin door. Dom natuurlijk, want dan ben je zo’n appeltje zo kwijt. Aan je geliefde bijvoorbeeld.

De geliefde van Karel heet Eva en ze zal ook wel lief zijn, maar in de afgelopen winter heb ik haar wel van een andere kant leren kennen. Als ze de kans kreeg pikte ze Karels appel af en stuurde hem weg. Dan zat hij heel zielig vanaf de schutting toe te kijken hoe zij ongemanierd zat te schrokken. En ik stond weer nagel bijtend vanachter het raam toe te kijken. In stilte moedigde ik Karel aan, maar ik moet bekennen dat ik soms ook wel eens dacht: ‘Sukkel! Ik had die appel voor jou neergelegd!’ Liefst had ik de tuindeur open gekwakt en geroepen: 'Ben jij nou een man!' Maar had ik dat gedaan, dan waren Karel en Eva natuurlijk van schrik allebei vertrokken.

Eigenlijk heeft Karel maar één echt nadeel: hij wil niet op de foto. Telkens als ik eraan kom met mijn toestel, vliegt hij weg. Vandaar dit vage plaatje. Zie je de witte streep? Jawel toch? Een beetje?

dinsdag 29 juni 2010

Rosa Monica

Dit is een weblog over de dieren in mijn huis en in mijn tuin. Voordat ik daar zo maar pardoes over kan beginnen moet ik de hoofdpersonen natuurlijk wel even netjes voorstellen. Vandaag, op dag 1, is het de beurt aan Roos. 


Roos is de koning van het huis. Oké, toegegeven, niet echt een naam voor een koning, er zijn vast niet veel koningen die zo heten. Het heeft er alles mee te maken dat hij nog maar een prinsje was, toen hij ons huis in kwam. Toen was nog absoluut niet aan hem te zien of hij een jongen of een meisje was, maar Hannah, mijn dochter, wist het meteen zeker. ‘Dat is Rosa Monica,’ zei ze, alsof ze hem uit een vorig leven kende. Daar hadden wij niet van terug en zo werd dat zijn naam. Het plechtige Rosa Monica sleet in dertien jaar af tot Roos.

 Roos is nogal een slaapkop. In de winter slaapt hij op alle plekken in huis, die hem geschikt lijken: mijn bed, de verwarming, in de prullenmand, in een doos die ooit in de kamer is blijven staan en op de schoot van iedereen die per ongeluk gaat zitten.


In de zomer ligt hij in de tuin. Niet in een ligstoel, maar patsboem op de zwarte aarde tussen de planten of lang uitgestrekt op het tuinpad. Dat laatste is nogal onhandig als je er langs moet met de fiets. En denk maar niet hij opzij gaat.
 Soms maakt hij een wandelingetje door de binnentuinen van de buren, maar meestal blijft hij veilig op eigen terrein. Een paar dagen geleden had ik de poort naar de buitenwereld open laten staan toen ik vuilnis in de container wilde gooien. En jawel, toen waagde hij zich zomaar over de drempel. Voor het eerst van zijn leven zag hij een auto van dichtbij! Voor het eerst van zijn leven rook hij een auto van dichtbij!

Ik zag dat hij zichzelf berestoer vond. Hij liep erbij als een bokser met een brede borstkas, die zijn spierbundels even laat rollen. Hij kwam dan ook absoluut niet toen ik hem riep. ‘Die binnentuin is voor watjes,’ leek hij te denken. ‘Ik heb andere dingen te doen.’ Zoals rondruiken bij de buitenmuur, volgens mij het hoekje waar regelmatig door jan en alleman geplast wordt. Hij was er niet weg te slaan. Wat een geurenparadijs!

Uiteindelijk heb ik hem stilletjes beslopen, opgetild en terug gedragen naar zijn eigen erf. Daar bleef hij wel een kwartier nabluffen, maakte jacht op alles wat bewoog (plantjes!) met een staart als een eekhoorn en ging zelfs een gevecht aan met de boom. Ik laat hem nog wel een keer uit. Aan een koordje.