zaterdag 21 augustus 2010

Spinnendag


Vandaag is het spinnendag. Ik weet het zeker. Toen ik net wat sprieten en oude knoppen in mijn tuin afknipte, kwam ik wel drie verse webben tegen met kanjers van spinnen erin. Allemaal even mooi.
Maar sommige spinnen vergooien hun talenten, die doen maar wat. Zo had er één ijverig een web geweven vanaf de rozenstruik naar het stuur van Hannahs fiets. Zie je hem hangen vlak onder zijn zilveren draadje? Ja precies, dat lichte stipje, dat is em. 
Gelukkig voor hem ligt Hannah nog te slapen en Hannah kennende blijft dat ook nog wel even zo, dus een beetje plezier zal hij nog wel hebben van zijn prachtige web. In een zacht briesje schommelt hij argeloos heen en weer, in afwachting van de eerste vlieg. Wat een goeie plek heb ik toch, zie ik hem denken. Wie doet me wat?



donderdag 19 augustus 2010

Dapper


Vanmorgen zat Roos op het stoepje voor de keuken, toen hij werd belaagd door de Vreselijk Gemene Kater van de buren. Met zijn oren plat in zijn nek blies hij zo hard dat ik het zelfs door de keukendeur heen kon horen. Daar stond ik namelijk achter en ik keek om zo te zeggen over zijn schouder mee naar wat er gebeurde. Eerst niet zo gek veel. De Vreselijk Gemene Kater is jammer genoeg nooit erg onder de indruk van Roos. Hij weet dat Roos diep in zijn hart maar een bang poesje is. Dus bleef hij brutaal zitten kijken, verveeld bijna zo van: ‘Hallo, is dit alles of komt er nog wat?’
Tot hij mij in de gaten kreeg. Als ik eenmaal de tuin in kom is hij nog niet jarig, dat weet hij. Wij voeren een stille oorlog. De Vreselijk Gemene Kater heeft de gewoonte overal in mijn tuin kleine plasjes te doen. Tegen de keukendeur, tegen de afvalbak en, erger nog, tegen mijn fiets. Echt waar, als hij weer eens bezig is geweest, trek ik een heel geurspoor door Amsterdam. Iedereen springt voor mij opzij. En dan hebben we het nog niet eens over die kikker die hij gepakt heeft. Ja, hij ook al! Ik heb het niet zelf gezien - gelukkig voor hem - ik hoorde het van een buurvrouw. Nou ja, je begrijpt het al De VGK en ik zijn niet de allerbeste vrienden.
Zodra hij mij vanmorgen in het oog kreeg, daar achter die glazen deur, zette hij al een voorzichtig pootje naar achteren. Ik hoefde mijn ogen maar tot spleetjes te knijpen om hem verder terug te doen deinzen. Toen ik ook nog eens wild met mijn armen begon te maaien, droop hij helemaal af. Langzaam, waardig, alsof hij dat eigenlijk al lang van plan was, maar toch.
Intussen dacht Roos dat hij geweldig veel succes had, dat het hem vandaag zowaar gelukt was de VGK weg te blazen! Hij had de dag van zijn leven. Je had hem moeten zien lopen later: soepel pasje, losjes in de heupen, zijn kontje wiebelend van trots. 

dinsdag 10 augustus 2010

Wormen eten


Zit ik net gezellig aan tafel een boterham te eten, vindt Karel het nodig om een dikke, vette worm uit de grond te trekken. Precies op dat moment, precies op een plekje waar ik hem goed kan zien. En trekken aan dat beest! Die worm werd minstens twee keer zo lang. Er kwam geen eind aan.

‘Hé, ik zit te eten, ja!’ wilde ik roepen. ‘Kun je daar even mee wachten? Of het desnoods ergens anders gaan zitten doen?’ Maar dat kon hij natuurlijk niet. Ik wel. Dus pakte ik mijn bordje op en ging fijn op de bank zitten.

Niet meer aan denken, zei ik tegen mezelf. Een boterham is geen worm. En ik ben geen merel. Maar op de een of andere manier wilde die boterham niet meer naar binnen.

Ik weet wel hoe het komt. Toen ik een jaar of acht was, hielp ik samen met mijn vriendinnetje Leonie haar grote broer Jan bij het opgraven van wormen. Die voerde hij aan zijn waterschildpadden. De hele middag groeven we in de tuin en hengelden worm na worm op. Ik moet gegriezeld hebben, want ik ben nooit dol geweest op wormen.

's Avonds mocht ik bij Leonie blijven eten. Haar moeder zette een glazen schaal op tafel, een heel erg doorzichtige glazen schaal met lange macaroni. Dikke spaghetti, zeg maar. Die slierten, een beetje bleekroze door de tomatensaus, zaten lekker door elkaar gekronkeld tegen de glaswand geplakt. Ik zag ze nog net niet bewegen.

Ik hoefde er maar een keer naar te kijken om heel zeker te weten dat ik daar geen hap van ging nemen. 'Lust je geen macaroni?' werd mij gevraagd. 'Jawel,' piepte ik, 'maar geen lange.' Een schaal korte macaroni kronkelt niet en lijkt ook nergens op, bedoelde ik. 'Dan snijden we ze toch klein,' was het opgewekte antwoord. En dat deden ze ook nog. Voor míjn ogen, op mijn bord.

En nu dus die boterham. Nee, een boterham is geen worm, maar ... Dan maar naar buiten ermee, dacht ik. Ik sneed hem in stukjes en gooide hem zonder pardon de tuin in. Karel was nergens meer te bekennen.