Posts tonen met het label nestkastje. Alle posts tonen
Posts tonen met het label nestkastje. Alle posts tonen

vrijdag 24 juni 2011

De vogels zijn gevlogen


Het is alweer een tijdje geleden, maar de mezen hebben het pand verlaten. Dat ze daarmee bezig waren, merkte ik doordat Roos opeens weer in de boom zat. Ik wist niet dat hij dat nog kon! Gelukkig was hij er ook snel weer uit. Toch een beetje hoogtevrees?

De kleine meesjes vonden het ook zonder Roos eng genoeg. Vader en moeder Mees moesten flink hun best doen om die luilakken uit hun nest te krijgen. Vaak zaten ze samen op de schutting hard te schreeuwen van: 'Kom maar!' en 'De kust is veilig!' 
Die eerste dagen dat de jongen op vrije vleugels zijn, slapen ze vaak nog wel thuis. (Heb ik van Daniël.) Ook worden ze nog bijgevoed door hun ouders. Logisch! Als je gewend bent dat de regenwurmen zomaar boven je bekje bengelen, kom je natuurlijk niet op het idee dat al dat lekkers in de grond woont.
Ik heb geprobeerd de kinderen Mees voor jullie op de foto te zetten, maar helaas. Ze verstopten zich zo listig in het groen van de boom, dat dat niet lukte. Slim van ze, hè?

Op een dag was het dan toch echt helemaal stil rond het nestkastje. Ik wachtte nog even af voordat ik het deksel van het kastje haalde.
En ja hoor, er waren weer achterblijvers. Drie, deze keer. Blijkbaar mogen alleen de grootste bekken de wijde wereld in, voor dromers is geen plaats.


Dus is het weer tijd een mooi plekje uit te zoeken in de tuin. Ik hoefde niet lang na te denken. Kijk eens, hoe fanatiek de hortensia's bloeien! Daaronder mogen ze met z'n drietjes voor eeuwig verder dromen.







.

woensdag 10 november 2010

Dakloos


Als de bladeren vallen, zie je opeens van alles. Het voederhuisje van afgelopen winter bijvoorbeeld. Ik had het opgehangen om de vogels voedsel en onderdak te geven. Onderdak? Dak? Waar is mijn dak gebleven!?

Eerst dacht ik aan de Vlaamse Gaaien. Zware jongens zijn dat, die alleen in de winter in mijn tuin komen als er wat te halen valt. Ze nemen heel hebberig twee doppinda’s tegelijk in hun bek en dat gaat natuurlijk beter door een open dak dan door zo’n suf, klein deurtje.

Maar plotseling kreeg ik mijn koolmezenkast in het oog en dacht aan het prachtige nestje dat ik er nog niet zo lang geleden uithaalde. Zouden die twee slimmeriken strootje voor strootje mijn dak meegenomen hebben? Ze dragen dan wel van die keurige stropdasjes, maar dat zegt tegenwoordig ook niks meer. En trouwens, wat dacht je van die bivakmutsen? Stelletje boeven!

Nadat ik dit stukje geschreven had, stond ik op van mijn stoel en zag iets raars.



Nou ja! Is dat een nieuwe rage, nesten bouwen van mijn goeie spullen?
Houd de dief!


donderdag 16 september 2010

Koolmezennest na de zomer


Het nestkastje van de mezen moet schoon! Voor de herfst nog. Dat zegt een mevrouw van de site trouw.nl/groen. Ik schreef haar een brief omdat ik twijfelde. Het leek mij wel handig het nestje te laten zitten. Dan kunnen ze er volgend voorjaar zo weer in, dacht ik. Even de boel een beetje opknappen en klaar is mees. Maar nee hoor. Dit was het antwoord:

Meesjes maken voor elk broedsel een nieuw nest. Desnoods doen ze dat bovenop het oude, zelfs als daar nog eitjes liggen of een dood vogeltje. De kastjes moet u voor de herfst schoonmaken. De oude nesten bevatten meestal veel ongedierte. De vogels slapen er in de winter en in het voorjaar moeten ze weer in een schone nestkast aan de slag kunnen gaan.
Tineke 

Nou zeg, had je dat gedacht? Die mezen maken soms hele flatgebouwen binnenin die nestkastjes! En dat ze er ’s winters in slapen! Dan wordt het dus opeens een mezenhotel. Ik zou graag iets voor ze op de vloer leggen, een prop watten of een pannenlap, want op dat kale hout slaap je vast niet erg lekker. Maar vooruit, Tineke weet er alles van en die lijkt het heel gewoon te vinden.

Ik zal het maar eerlijk bekennen: ik vond het nogal eng om mijn kastje open te maken. Je weet tenslotte maar nooit wat je te zien krijgt. Dus gluurde ik eerst met één oog om een hoekje en zuchtte opgelucht. Tenminste geen dood vogeltje, dacht ik. Tot ik beter keek …


Ja, daar word je wel even stil van. Die kon natuurlijk niet tegen zijn stoere broers en zussen op. Ik heb ze horen schreeuwen in het voorjaar, dus ik kan het weten.

Maar zie je wel hoe mooi dat nestje gemaakt is? Met dat gras in de hoeken, zodat het niet kan schuiven en dat pluizige wit om het lekker zacht te maken. Probeer dat maar eens na te doen. Handen op je rug, takje in je mond en prutsen maar.
O ja, je mag ook je voeten gebruiken.


zaterdag 10 juli 2010

Koolmezen



Ik vertelde al over de reiger, hoe ik met hem vocht en hoe ik van hem won. Maar er gebeurde nog meer in die tijd. Terwijl ik samen met Daniël die griezelige, groene draden spon boven het wateroppervlak van de vijver, ging Daniël plotseling rechtop staan. ‘Je hebt een nest ergens,’ zei hij.
Met de groene bol touw nog in mijn hand, luisterde ik eens goed en toen hoorde ik het ook. Krijsende vogeltjes. Hongerige, krijsende vogeltjes. Samen liepen Daniël en ik de tuin in en opeens begreep ik waar dit lawaai vandaan kwam. Uit het houten nestkastje!


Ik had het ooit gekregen bij een bezoek aan Boslust, een leuke school in Ommen. De kinderen overhandigden het mij breed lachend, niet alleen omdat het gevuld was met paaseitjes, maar vooral ook omdat ze het kastje zelf hadden gemaakt. Thuis hing ik het op aan de buitenmuur van mijn keuken. Ik zal eerlijk bekennen dat ik er weinig vertrouwen in had. Ik dacht dat vogels nooit zo dicht bij een huis zouden durven broeden. 

Maar nu was het wonder dan toch gebeurd. Er was – strootje voor strootje - een nestje gemaakt, er waren eitjes gelegd zonder dat ik dat in de gaten had gehad, zonder dat ik de gelukkige ouders had kunnen feliciteren. En zelfs het eerste krijsen was me ontgaan.

In de dagen en weken erna zag ik vader en moeder af en aan vliegen. Bij hun binnenkomst werden ze telkens uitbundig toegejuicht. Je kon geen normaal gesprek meer voeren in die tuin. Maar wat gaf dat. Het keiharde gepiep klonk zo gezellig, dat ik soms speciaal wat langer in de tuin bleef om het te horen. Op allerlei momenten stak ik mijn kop om de hoek van de keukendeur om te luisteren en diep te zuchten. Wat lief, wat schattig.

Was het dan niet vreselijk ondankbaar, dat het hele gezin vertrok in een weekend waarin ik niet thuis was. Geen afscheid, geen bloemetje, niks. Gewoon ertussenuit gepiept!

illustratie: Johan de Koning